Hoe wordt de

diagnose

gesteld

Voor de definitieve vaststelling van diabetes is het nodig om de hoeveelheid glucose in het bloed (een aantal keer) te meten. Een bloedtest via de huisarts wijst uit of er sprake is van diabetes. Met een kleine vingerprik wordt de bloedglucosewaarde bepaald. Bij voorkeur herhaald op diverse momenten: nuchter (acht uur daarvoor niets gegeten of gedronken behalve water) en zo´n anderhalf tot twee uur na een maaltijd. 

Normaal gesproken schommelt de bloedglucose tussen de 4,5 en de 8,0 mmol/l. De officiële afspraken voor bloed gemeten met een vingerprik zijn: nuchter geprikt boven de 7 mmol/l: er is sprake van diabetes. Bij  nuchter geprikt tussen de 6 en 7 mmol/l: dit is de voorfase van diabetes. Niet-nuchter geprikt: boven de 11 mmol/l, diagnose: diabetes.